Hoe werkt het?

  1. Wat kunt u met de Milieumeetlat voor de open teelt?
  2. Is de Milieumeetlat ook bruikbaar voor situaties in het buitenland?
  3. Hoeveel milieubelastingspunten zijn aanvaardbaar?
  4. Hoe worden de punten voor waterleven berekend?
  5. Hoe worden de punten voor bodemleven berekend?
  6. Hoe worden de punten voor grondwater berekend?
  7. Hoe zijn de risico's voor nuttige organismen weergegeven?
  8. Hoe is het risico voor de toepasser weergegeven?
  9. Welke milieu-effecten zijn het belangrijkst?
  10. Waar zijn de gegevens in de milieumeetlat op gebaseerd?
  11. Hoe bepaal ik het driftpercentage?

 

1. Wat kunt u met de Milieumeetlat voor de open teelt?

De Milieumeetlat is een puntensysteem waarmee wordt aangegeven hoe schadelijk een middel is voor het milieu. Het biedt u de mogelijkheid om bij de middelenkeuze niet alleen rekening te houden met effectiviteit en prijs, maar ook met de bijwerkingen van de middelen op de omgeving. Daarnaast kan de Milieumeetlat worden gebruikt om de totale milieubelasting van een seizoen te bepalen en bijvoorbeeld te vergelijken met collega's.

De meetlat berekent en vergelijkt de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op vijf criteria:

  • risico voor waterleven (oppervlaktewater)
  • risico voor bodemleven
  • risico op uitspoeling naar het grondwater
  • risico voor nuttige organismen (bestrijders en bestuivers)
  • risico's voor de gezondheid van de toepasser.

2. Is de Milieumeetlat ook bruikbaar voor situaties in het buitenland?

De Milieumeetlat voor Pesticiden is voor Nederlandse situaties ontwikkeld. Er wordt uitgegaan van Nederlandse grondsoorten. Voor het berekenen van de milieubelastingspunten voor waterleven wordt uitgegaan van een gemiddeld slootvolume om de geschatte gewasbeschermingsmiddelenconcentratie te bepalen. Uiteindelijk wordt voor alle middelen dezelfde concentratie gehanteerd (0,004 mg/l). De Milieumeetlat voor Pesticiden wordt in steeds meer landen gebruikt. Twee aandachtspunten daarbij zijn:

  • De Milieumeetlat kan alleen gebruikt worden voor het onderling vergelijken van de milieubelasting van gewasbeschermingsmiddelen.
  • Bij het berekening van de milieubelastingspunten voor waterleven wordt met een emissiefactor rekening gehouden: drift bij het spuiten. In veel landen is afspoeling (juist) een belangrijke route. Op dit moment wordt onderzocht hoe afspoeling kan worden meegenomen in de berekening van de milieubelastingspunten.

3. Hoeveel milieubelastingspunten zijn aanvaardbaar?

De milieu-effecten van gewasbeschermingsmiddelen op waterleven, bodemleven en grondwater zijn weergegeven in milieubelastingspunten (MBP). Hoe meer milieubelastingspunten een middel krijgt, des te hoger is het risico voor het milieu. De milieubelastingspunten worden in eerste instantie weergegeven voor een dosering van 1 kg/ha of 1 l/ha en moeten daarom worden vermenigvuldigd met de gebruikte hoeveelheid per hectare. Voor waterleven, bodemleven en grondwater komt een score van 100 MBP per toepassing overeen met de toelatingsnorm van het College voor Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB). De toelatingsnorm is een concentratie waarbij er niet te veel risico optreedt voor het milieu.

4. Hoe worden de punten voor waterleven berekend?

De milieubelasting voor waterleven is afhankelijk van de giftigheid van een middel voor waterorganismen. Daarnaast hangt de milieubelasting samen met het percentage drift (verwaaiing) van middel naar de sloot. Het gedeelte dat in de sloot terecht komt, hangt onder meer af van de manier van de toepassingstechniek (spuitmachine, doppen). Verder spelen ook factoren als windsnelheid, windrichting, grootte van het gewas, afstand tot de sloot, temperatuur en luchtvochtigheid een rol bij de hoeveelheid drift.

De Milieumeetlat gaat standaard uit van 1% drift naar het oppervlaktewater. De punten voor waterleven moeten daarom nog vermenigvuldigd worden met het werkelijke driftpercentage dat hoort bij de door u toegepaste spuittechniek. Bij een volveldsspuit is de kans op drift bijvoorbeeld groter dan bij een bespuiting met een spuit met luchtondersteuning of bij een bredere teeltvrije zone.

N.B. In 1995 is de toelatingsnorm een factor 10 strenger geworden. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat het beter is om een hogere veiligheidsfactor te hanteren (100 ipv 10). Hierdoor is toen ook het aantal milieubelastingspunten dat gelijk stond aan de toelatingsnorm verlaagd naar 10 MBP. Sinds maart 2013 heeft CLM deze waarde weer op 100 MBP gezet, overeenkomstig met bodemleven en grondwater. Dit maakt de systematiek eenduidiger. De MBP voor waterleven zijn als gevolg hiervan voor alle middelen verhoogd met een factor 10.

5. Hoe worden de punten voor bodemleven berekend?

De Milieumeetlat houdt rekening met het organischestofpercentage in de bodem. Het gehalte organische stof is namelijk net als de middeleigenschappen (zoals afbraaksnelheid en binding aan bodemdeeltjes) bepalend voor de hoeveelheid bestrijdingsmiddel dat na verloop van tijd in de bodem achterblijft. Deze concentratie in de bodem bepaalt samen met de giftigheid het risico dat het middel voor het bodemleven vormt.

De meetlat maakt onderscheid in vijf klassen van organische stof:

  • lager dan 1,5% (percentage organische stof)
  • 1,5 - 3%
  • 3 - 6%
  • 6 - 12%
  • hoger dan 12%

Voor iedere klasse worden milieubelastingspunten voor bodemleven gegeven.

 

Voorbeeld bodemleven

Een teler gebruikt 0,5 liter/ha Sencor WG als na-opkomst-bestrijding in de aardappelteelt. Het organische-stofgehalte bedraagt 5%. De score voor toepassing van 1 l/ha is 9 milieubelastingspunten (MBP).

De totale score is dus:
0,5 kg/ha x 9 = 4,5 MBP.

Het score voor het bodemleven ligt ver onder de 100, dus het risico voor bodemorganismen is klein.

6. Hoe worden de punten voor grondwater berekend?

Het organischestofpercentage blijkt in veel gevallen ook bepalend te zijn voor het risico van uitspoeling van middelen naar het grondwater. Organische stof kan het bestrijdingsmiddel namelijk vastleggen. Hoe hoger het gehalte aan organische stof, des te kleiner is het risico van uitspoeling en des te lager is het aantal gescoorde milieubelastingspunten voor grondwater. Het percentage afslibbaar speelt ook een rol bij de uitspoeling, maar is minder van belang dan het percentage organische stof. Daarnaast bepalen uiteraard de middeleigenschappen de mate waarin een middel uitspoelt.

Het aantal milieubelastingspunten voor grondwater is tenslotte afhankelijk van het tijdstip van toepassing. Bij toepassing in het najaar is het risico van uitspoeling namelijk groter dan bij toepassing in het voorjaar. Dit komt, omdat in het najaar het middel langzamer wordt afgebroken in verband met de lagere temperatuur en omdat in het najaar vaak een neerslagoverschot optreedt. Bij de toekenning van milieubelastingspunten voor grondwater is daarom onderscheid gemaakt tussen toepassing in voorjaar en najaar. De grenzen tussen deze periodes zijn als volgt:

  • voorjaar: 1 maart - 31 augustus
  • najaar: 1 september - 29 februari

Natuurlijk zijn deze grenzen niet zo scherp en het is uiteraard niet zo dat een toepassing op 31 augustus veel minder uitspoeling teweeg brengt dan een toepassing op 1 september. Doel van het onderscheid tussen de periodes is inzichtelijk wordt dat de belasting van het grondwater gedurende het jaar verschillend is.

Voor grondwater zijn voor elke combinatie van een organische stof-klasse en een toepassingstijdstip zijn milieubelastingspunten aan gewasbeschermingsmiddelen toegekend.

 

Voorbeeld grondwater

Een teler gebruikt 1,5 liter/ha Gallant 2000 tegen onkruid in de lente. Het organische-stofgehalte bedraagt 3,5%. De score bij een dosering van 1 l/ha is 600 MBP.

De totale score voor de toepassing van 1,5 l/ha is dus:
1,5 l/ha x 600 = 900 MBP

Dit is 9 keer boven de norm van 100 punten, dus de kans op verontreiniging van het grondwater is groot.

7. Hoe zijn de risico's voor nuttige organismen weergegeven?

Het risico voor bestrijders (natuurlijke vijanden zoals sluipwespen, lieveheersbeestjes, roofmijten) en bestuivers (bijen en hommels) is weergegeven met een symbool. Dit symbool geeft de bruikbaarheid in geïntegreerde teelt weer en is een samenvoeging van de effecten van gewasbeschermingsmiddelen voor elk afzonderlijk nuttig organisme. Meer gedetailleerde informatie kunt u vinden in de neveneffectengidsen en websites van de verschillende leveranciers van nuttige organismen. De gegevens in de Milieumeetlat zijn gebaseerd op de neveneffecten-database van Koppert:

8. Hoe is het risico voor de toepasser weergegeven?

Ook het risico voor de toepasser van de middelen is weergegeven met een symbool. Dit symbool is afgeleid van de symbolen (andreaskruis, doodskop) die u ook op het etiket van het middel kunt vinden.

9. Welke milieu-effecten zijn het belangrijkst?

Gewasbeschermingsmiddelen krijgen in de Milieumeetlat een score op zes afzonderlijke criteria. Een teler kan zelf voor het eigen bedrijf nagaan welk milieu-effect het zwaarst moet wegen. Voor iemand met veel sloten langs of op zijn bedrijf is het bijvoorbeeld verstandiger om meer rekening moeten houden met het risico voor waterleven dan voor een teler die nauwelijks over sloten beschikt. Voor een bedrijf dat in een grondwaterbeschermingsgebied teelt zullen de MBP voor grondwater zwaarder wegen.

10. Waar zijn de gegevens in de milieumeetlat op gebaseerd?

De gegevens in de Milieumeetlat zijn afkomstig van de volgende bronnen:

11. Hoe bepaal ik het driftpercentage?

De milieubelasting voor waterleven is afhankelijk van de giftigheid van een middel voor waterorganismen. Daarnaast hangt de milieubelasting samen met het percentage drift (verwaaiing) van middel naar de sloot. Het gedeelte dat in de sloot terecht komt, hangt onder meer af van de manier van de toepassingstechniek (spuitmachine, doppen). Verder spelen ook factoren als afstand tot de sloot (teeltvrije zone), windsnelheid, windrichting, grootte van het gewas, temperatuur en luchtvochtigheid een rol bij de hoeveelheid drift.

De Milieumeetlat gaat standaard uit van 1% drift naar het oppervlaktewater. De punten voor waterleven moeten daarom nog vermenigvuldigd worden met het werkelijke driftpercentage dat hoort bij de door u toegepaste spuittechniek. Bij een volveldsspuit is de kans op drift bijvoorbeeld groter dan bij een bespuiting met een spuit met luchtondersteuning of bij een bredere teeltvrije zone.